Afluisteren van advocaten door OM endemisch

angels.jpgVaste lezers van deze site weten hoe we denken over ‘super-PL’ Harm Brouwer van het OM. Naar aanleiding van de ongekende afstraffing van zijn OM in de zaak tegen de Hells Angels (in dat soort afstraffingen van het OM moet je altijd nog verdisconteren dat de rechter van nature pro-OM is; dus als dat OM dan desalniettemin wordt afgestraft moeten ze het ongekend bont hebben gemaakt) deed de super-PL enkele interessante uitspraken die zijn status als ‘super-PL’ opnieuw schragen. Hij zei bijvoorbeeld: “Het is een pijnlijke fout” Ook zei hij: “Het OM is nu juist de instantie die de vrije communicatie tussen advocaat en client moet waarborgen.” Hij zei tenslotte: “Er is geen sprake van boze opzet.” Alle drie de opmerkingen van de super-PL zijn leugens. Dat het geen ‘pijnlijke fout’ betreft blijkt uit de geschiedenis van het OM waar het afluisteren van advocaten betreft: al tien jaar lang blijkt in zaak na zaak dat advocaten structureel worden afgeluisterd en dat het OM de betreffende stukken vervolgens niet vernietigt (zoals het bij wet verplicht is) of uit het dossier haalt, ook niet als het daartoe wordt gesommeerd door de rechter-commissaris. In enkele zaken zoals de fameuze Iglo-zaak ging het OM zelfs zover de identiteit van de advocaat te verdoezelen (dan sprak de verdachte bijvoorbeeld met ‘een schoolvriend’) om de stukken maar in het dossier te kunnen houden. Het afluisteren van advocaten is zelfs standaard beleid van het OM; ze kunnen niet meer zonder! Dat blijkt vooral uit een civiele zaak die de…

NVSA (Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten) begin 2005 aanspande tegen de Nederlandse staat (minister Donner van Justitie) met als eis: stop met ons af te luisteren! De advocatuur verloor deze zaak: de Haagse rechtbank vonniste met droge ogen dat politie en OM gesprekken met advocaten mogen aftappen. Daar heeft niemand het dus over als reactie op de hypocriete statements van de super-PL dat zijn om zo’n ‘pijnlijke fout’ heeft gemaakt! Hij wil zo graag dat zijn officieren kunnen tappen dat hij er zelfs voor naar de rechter stapt! Nu is er vast wel een strafvorderlijk verschil tussen het tappen as such (wat dus officieel mag) en het opnemen in het dossier van tapverslagen (wat dus niet mag), maar een kind voelt aan dat als het tappen is toegestaan een downhill run ontstaat die er uiteindelijk toe zal leiden dat een rechter zal zeggen dat ook de vruchten van dat tappen in het dossier mogen komen. Bovendien heeft Justitie tal van voordelen van het tappen wat betreft hun informatie-positie los van het dossier, dat is dus allemaal juridisch toegestaan.

De hypocrisie van Brouwer en de ‘pijnlijke fout’ blijkt echter nog het meest uit het feit dat het OM in hoger beroep is gegaan tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring. Hoe kan je moreel in hoger beroep gaan als je vind dat je een ‘pijnlijke fout’ hebt gemaakt en dus terecht bent afgestraft?

Print Friendly

2 Responses to “Afluisteren van advocaten door OM endemisch”


  • quote Hoe kan je moreel in hoger beroep gaan als je vind dat je een ‘pijnlijke fout’ hebt gemaakt en dus terecht bent afgestraft?
    /quote

    Ik kan me best wel voorstellen dat jij je amuseert Mischa maar Harm Brouwer heeft WEL gezegd dat het OM een pijnlijke fout gemaakt heeft maar niet dat het in zijn ogen terecht is dat als gevolg van die fout verder alleszins schuldige verdachten vrijuit gaan.

    Vind ik wel wat hebben – even afgezien hoe schuldig die (b)engeltjes in werkelijkheid zijn…

  • toespaak van Harm Brouwer in oktober 2008
    ——————————————-

    Harm Brouwer, voorzitter College van procureurs-generaal, t.g.v. de Sirius Playground,
    13 oktober 2008

    Speech van Harm Brouwer, voorzitter College van procureurs-generaal, t.g.v. de Sirius Playground,

    13 oktober 2008, Ottone, Kromme Nieuwe Gracht 62, Utrecht.

    Dames en heren,

    U heeft beslist weleens een aflevering gezien van de televisieserie ‘Yes Minister’. Dat was in de jaren tachtig een populaire Britse comedy, die nog regelmatig herhaald wordt. Grappig en leerzaam tegelijk. Margareth Thatcher – alom bekend om haar grote gevoel voor humor – was een trouwe fan. Alles in ‘Yes Minister’ draaide om de strijd tussen minister Hacker – die vooral leuke dingen wilde doen voor zijn kiezers – en zijn secretaris-generaal Sir Humphrey – die vooral alles bij het oude wilde laten.

    Om zijn doel te bereiken haalde Sir Humphrey werkelijk alles uit de kast. Zo overstelpte hij de arme Hacker met volstrekt irrelevante dossiers. Onderop zo’n stapel schuilde dan een ogenschijnlijk onschuldig memo, waarmee Hacker – helemaal murw – ongezien akkoord ging. In de loop van de aflevering bleek zo’n document uiteraard politiek dynamiet.

    U begrijpt: op zo’n memo stond nooit ‘Top Secret’. Want als je iets geheim wilt houden, is een dergelijke vermelding wel het laatste wat je moet doen. Als mensen ‘Top Secret’ – of in goed Nederlands: ‘zeer vertrouwelijk’ – lezen, dan gaan ze pas echt recht op hun stoel zitten, al dan niet de neiging onderdrukkend direct Peter R. de Vries te bellen.

    Dat heeft de organisatie van deze Sirius Playground goed begrepen. Want ook zij heeft het thema Top Secret gekozen vanwege de hoge attentiewaarde. Top Secret, dat klinkt reuzespannend. Dat klinkt als: ‘On Her Majesty’s Service’, ‘Shaken, not stirred’ en ‘ Licenced to kill’.

    Als ondertitel heeft u deze bijeenkomst meegegeven: ‘de geheimhoudingsplicht in de juridische praktijk’. Dat klinkt al een stuk prozaïscher. Maar daar valt evengoed veel over te zeggen. Met name met het oog op recente strafzaken zoals die tegen de Hells Angels en die waarin een tap op een telefoontoestel in de Bijlmerbajes een belangrijke rol speelde.

    Maar laat ik eerst iets zeggen over de geheimhoudingsplicht in het algemeen. Daarna wil ik achtereenvolgens stil staan bij geheimhoudingsplicht van advocaten en bij het bijzondere opsporingsmiddel van telefoontaps en hoe het OM daarmee omgaat. Ten slotte wil ik uit de doeken doen hoe het OM zaken die kortgeleden mis zijn gegaan rond het thema ‘Top Secret’ in de toekomst denkt te voorkomen.

    Allereerst dus de geheimhoudingsplicht. Die heeft talrijke vormen en gedaanten. Zo kenden de Vrijmetselaars lange tijd een geheimhoudingsplicht, die vooral betrekking had op hun eigen rites en de kleur van hun voorschoten. De maffia kent de omerta. En wie wel eens Pietje Bel heeft gelezen, weet dat ook de leden van de Zwarte Hand elkaar geheimhouding bezwoeren.

    Waarmee ik maar wil zeggen, dat de geheimhoudingsplicht feitelijk beperkte juridische status heeft. Er gaat vooral sociale dwang vanuit. Het komt dan ook relatief weinig voor, dat er iemand van overheidswege strafrechtelijk wordt vervolgd, omdat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Wat vaker voorkomt, is dat er tegen loslippige artsen, priesters of anderen tuchtrechtelijk wordt opgetreden.

    Waar wij het hier dan ook over moeten hebben, is niet zozeer de geheimhoudingsplicht, als wel het verlengstuk daarvan: het verschoningsrecht, waarop sommige geheimhouders een beroep kunnen doen. Dat verschoningsrecht is op verschillende plaatsen in het Wetboek van Strafvordering gewaarborgd, met name in artikel 218.

    U weet, dat in Nederland getuigen in de regel wettelijk verplicht zijn om te verschijnen als ze voor een rechtszitting worden opgeroepen. Ze zijn ook verplicht de vragen van de rechter naar waarheid te beantwoorden. Doen ze dat niet, dan zijn ze in beginsel strafbaar. Deze laatste verplichting bestaat niet voor personen, die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen. Die hebben in de regel wel een verschijningsplicht, maar geen plicht tot spreken.

    Wie zijn die mensen, die aanspraak kunnen maken op het verschoningsrecht? Allereerst familieleden van de verdachte. Zij zijn niet gehouden om tegen een verwante te getuigen. Daarnaast kent de wet een verschoningsrecht toe aan personen die “uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn” (art. 218 Sv).

    Voorbeelden worden door de wet zelf niet genoemd, maar algemeen aanvaard is in elk geval het verschoningsrecht van advocaten, notarissen, reclasserings-ambtenaren, medici en geestelijken Zij kunnen zich verschonen, maar dit verschoningsrecht heeft slechts betrekking op datgene “waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd” (art. 218 Sv).

    De ratio achter het verschoningsrecht is, dat iedereen zich vrij en zonder vrees voor openbaring tot deze beroepsbeoefenaars moet kunnen wenden voor advies en bijstand. Dat wordt gezien als een groot maatschappelijk belang, dat zwaarder weegt dan dat de waarheid in een strafzaak aan het licht komt. Ook het OM ziet dat zo. Het belang van de waarheidsvinding wijkt hier dus voor grotere maatschappelijke belangen.

    De uitoefenaars van een beroep, dat een erkende verplichting tot geheimhouding met zich meebrengt, hebben dus in beginsel een verschoningsrecht. De basis voor de geheimhoudingsplicht van advocaten ligt in regel 6.1 van de Gedragsregels voor advocaten: “De advocaat is verplicht tot geheimhouding; hij dient te zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen”.

    Zoals gezegd, beperkt artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering het verschoningsrecht van de advocaat tot informatie, die hij of zij beroepshalve – in zijn hoedanigheid van advocaat dus – met zijn cliënt deelt. Als een advocaat bijvoorbeeld zijn klantenbestand afbelt om te laten weten, dat hij ’s avonds in RTL Boulevard te zien is, valt dat niet onder het verschoningsrecht. Evenmin kan de advocaat aanspraak maken op het verschoningsrecht als hij optreedt als fiscaal of financieel adviseur van zijn cliënt.1

    Met andere woorden: het verschoningsrecht is niet absoluut. Het betreft bovendien de communicatie tussen cliënt en advocaat, niet de advocaat als persoon. Wanneer een advocaat bijvoorbeeld zelf verdacht wordt van strafbare handelingen, is het verschoningsrecht niet van toepassing. Dergelijke gevallen komen zelden voor, maar er zijn situaties, waarin een advocaat zijn beroep misbruikt voor het verlenen van hand- en spandiensten aan criminelen.

    Er zijn dus allerlei gesprekken tussen advocaat en cliënt mogelijk, die buiten het verschoningsrecht vallen, en die dus ook getapt mogen worden. In deze dubbelzinnigheid schuilt de kiem van de fouten, die het OM gemaakt heeft bij het omgaan met geheimhoudersgesprekken van advocaten.

    Hoe zit dat nu precies met het verschoningsrecht en telefoontaps? Telefoontaps worden in Nederland relatief veel toegepast. Vorig jaar werden per dag gemiddeld 1.681 gesprekken opgenomen. Dat maakt Nederland tot een van de koplopers in Europa. De verklaring daarvoor is, dat men elders gemakkelijker omgaat met het plaatsen van bugs, richtmicrofoons, infiltratie, het inzetten van liplezers, enzovoort. Allemaal zaken waarmee het OM in Nederland terughoudender omgaat dan elders.

    De telefoontap is een van de bijzondere opsporingsmethoden waarover politie en OM in Nederland de beschikking hebben. Overigens benijd ik de politiemensen niet, die deze gesprekken moeten uitluisteren, want 99 % daarvan is van het niveau dat in de trein te horen valt. Maar dit terzijde.

    Elke aangevraagde telefoontap moet worden goedgekeurd door de officier van justitie en de rechter-commissaris. Zij toetsen de inzet van deze bevoegdheid op rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

    Bij de invoering van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden heeft de wetgever nadrukkelijk de mogelijkheid opengehouden, dat telefoongesprekken worden opgenomen, waaraan een geheimhouder deelneemt. Bijvoorbeeld in de setting, dat een getapte persoon – een verdachte – zelf contact zoekt met zijn advocaat.

    Dat gebeurt dus niet vanuit een noodzaak om advocaten of andere geheimhouders af te luisteren. Dat is – ik herhaal het nog maar eens – een zeldzaamheid en gebeurt alleen bij zware verdenking ter zake van door henzelf gepleegde strafbare feiten.

    Aangezien het plaatsen van een tap een heimelijk dwangmiddel is, kan een advocaat in zo’n geval niet zelf opkomen voor zijn verschoningsrecht. Hij of zij heeft er immers geen weet van, dat het gesprek, dat de cliënt met hem voert, wordt afgeluisterd. Daarmee ligt er een zware verantwoordelijkheid bij de officier van justitie. Die moet beoordelen of de opgenomen gesprekken betrekking hebben op de advocaat-cliënt-relatie en dus onder het verschoningsrecht vallen. Zo ja, dan moeten ze worden vernietigd. Zo nee, dan kunnen de gespreksverslagen aan het dossier worden toegevoegd, mits de rechter-commissaris daarvoor toestemming geeft.

    Om de vernietigingsplicht handen en voeten te geven zijn er voor de politie en het OM een AMvB en een Instructie van het College van procureurs-generaal. Maar naleving daarvan is geen sinecure gebleken. Herhaaldelijk doken er geheimhoudersgesprekken op, die vernietigd hadden moeten worden, en dus niet in een strafdossier terecht hadden mogen komen.

    Het dieptepunt was de niet-ontvankelijkverklaring van het OM eind vorig jaar in de strafzaak tegen tweeëntwintig leden van de Hells Angels vanwege ‘ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op de regelgeving welke het verschoningsrecht moet waarborgen’ (aldus de rechtbank Amsterdam). Die beslissing was voor het OM reden om grondig te onderzoeken, waarom het in die zaak was misgegaan en daar consequenties aan te verbinden voor onze werkwijze en die van de politie.

    Tijdens die evaluatie doken echter weer nieuwe gevallen op, waarin geheimhoudersgesprekken ten onrecht niet vernietigd waren. Daarbij ging het onder meer om gesprekken, die vanaf een algemeen toestel in de Bijlmerbajes gevoerd waren. Deze telefoon werd getapt vanwege verdenkingen tegen één bepaalde gedetineerde.

    De advocaat van deze gedetineerde vroeg en kreeg de DVD’s met de getapte gesprekken. Geheel volgens de regels waren de gesprekken tussen zijn cliënt en hem vernietigd. Maar per abuis stonden er op de DVD’s nog wél gesprekken van andere gedetineerden met hun raadslieden. Deze waren voor het bedoelde onderzoek niet relevant, ook niet uitgeluisterd, maar hadden wél vernietigd moeten worden. Dat was dus niet gebeurd. Niet als excuus maar wel ter verklaring wil ik hier nog aangeven, dat het ging om 1.300 uur aan getapte gesprekken.

    Evengoed riep dit nieuwe incident de vraag op of het huidige, wettelijke systeem van vernietiging achteraf wel voldoende waarborgen kan bieden. Die vraag is des te pregnanter nu de civiele kamer van de rechtbank Den Haag onlangs bepaald heeft, dat de Staat onrechtmatig handelt jegens de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten, wanneer bij een onderzoek betrokken politieambtenaren en officieren van justitie kennis nemen van een gesprek, waaraan een zelf niet verdachte advocaat heeft deelgenomen.

    Het afluisteren en uitwerken van dergelijke tapgesprekken moet volgens de rechtbank gebeuren door functionarissen, die niet zelf bij het strafrechtelijk onderzoek zijn ingeschakeld. Hetzelfde geldt voor de officier van justitie, die over vernietiging beslist; ook dat mag niet de zogeheten zaaksofficier zijn. Dit lijkt mij overigens een onuitvoerbare opdracht, aangezien het niet goed mogelijk is te oordelen over de reikwijdte van het verschoningsrecht in een specifieke zaak, als men de zaak zelf niet kent. Maar dit terzijde. De Staat heeft tegen de uitspraak appèl ingesteld.

    Conclusie: de huidige werkwijze rond het vernietigen van geheimhoudersgesprekken tijdens een strafrechtelijk onderzoek is ontoereikend. Ik stel vast, dat het huidige systeem in de praktijk onvoldoende garanties biedt, dat het verschoningsrecht te allen tijde beschermd wordt. De procedure gaat binnen de politie en het OM over te veel schijven en is te complex en de verdeling van de verantwoordelijkheid is te diffuus.

    Wat ik overigens ook vaststel – en dat wil ik hier graag benadrukken – is, dat het hier niet om een integriteitsprobleem gaat. Er is geen boos opzet van de kant van het OM. Van slordigheid, van miscommunicatie en van overwerktheid, ja. Maar er is geen sprake van enige kwade intentie om onzorgvuldig met geheimhoudersgesprekken om te springen. Als er sprake zou zijn van kwade opzet, zouden we dan zo stom zijn geweest om de gespreksverslagen in het strafdossier op te nemen, opdat ze ontdekt konden worden?

    Soms zetten de media een beeld neer als zou er binnen het OM een strijd gaande zijn tussen ‘crime fighters’ en rechtsstatelijken. Allemaal flauwekul. Wat het ambt van officier van justitie zo complex maakt – en tot één van de zwaarste binnen de rijksoverheid – is dat je beiden tegelijk moet zijn. Aan rechtsstatelijke officieren zonder maatschappelijk betrokkenheid hebben we weinig. Maar aan geëngageerde officieren, die niet rechtsstatelijk zijn evenmin.

    Om een lang verhaal kort te maken, het OM heeft met betrekking tot de borging van het verschoningsrecht van advocaten de bakens verzet. Het OM streeft nu naar de invoering van een systeem van nummerherkenning. Dat betekent dat een telefoontap automatisch wordt stopgezet, wanneer een contact ontstaat tussen een verdachte en een als zodanig aan ons bekend telefoonnummer van een advocaat. Menselijke fouten worden aldus uitgesloten.

    Waarom zijn we daar niet eerder mee gekomen? Allereerst hebben we lang gedacht, dat we binnen het huidige systeem voldoende zorgvuldigheid konden bieden. Daarnaast is nummerherkenning echter geen Haarlemmerolie, geen panacee, voor alle problemen. Er zijn immers ook nadelen aan verbonden.

    Ik doel dan niet op financiële en praktische consequenties. De tapkamers van de politie moeten geschikt worden gemaakt voor het automatisch uitschakelen van de tap, wanneer een advocaat over de lijn komt. Dat is gecompliceerd en gaat miljoenen euro’s kosten, maar daar komen we wel uit.

    Lastiger is het gevaar van ‘number spoofing’. Dat wil zeggen, dat derden door softwaretrucs doen alsof ze op het nummer van een advocaat bellen en zo tapvrij zijn. Dat kan een reële bedreiging worden voor het systeem van nummerherkenning, maar is vooralsnog geen reden tot paniek. Meer een aansporing aan ons ervoor te zorgen, dat in technische zin de integriteit van nummerherkenning buiten kijf staat.

    Een ander probleem treedt op, wanneer een advocaat gebruik maakt van niet door hemzelf aangemelde nummers. Dan kunnen dus gesprekken met cliënt-verdachten over de tap komen. Ik neem aan dat de advocatuur beseft hoe belangrijk het is dat de tapkamers steeds over de actuele nummers van advocaten beschikken en dat zij een risico nemen, wanneer zij via niet-herkenbare lijnen bellen.

    Op dit moment loopt er nog een discussie met de advocatuur over het gebruik van die niet-aangemelde telefoonnummers bij een systeem van nummerherkenning. De balie gaat ervan uit dat voor cliënt- advocaatgesprekken via deze nummers de huidige AMvB en de Instructie ten aanzien van de vernietigingsplicht gewoon blijft gelden.

    Het OM ziet dat vooralsnog anders. Immers, de praktijk heeft nu juist uitgewezen, dat via het oude systeem de geheimhoudersgesprekken niet met zekerheid kunnen worden uitgefilterd en vernietigd. Als we – als OM en als advocatuur – een 100 % waterdicht systeem willen, dan zullen de advocaten zich voor het voeren van hun geheimhouders-gesprekken moeten beperken tot de lijnen, die daartoe zijn aangemeld.

    Doen zij dat niet – of melden zij überhaupt geen telefoonlijnen aan voor het nummerherkenningssysteem – dan benadelen zij eigenlijk hun cliënten. Want daarmee onthouden zij hun cliënten de optimale bescherming die alleen een aangemelde, gegarandeerd tapvrije telefoonlijn kan bieden.

    Het zou in dit verband ook zonde zijn om veel geld uit te trekken voor een systeem van nummerherkenning en daarmee uit te komen bij een suboptimale oplossing. De invoering van een systeem van nummerherkenning is dus niet alleen de verantwoordelijkheid van het OM, maar evenzeer van de advocatuur.

    De geprivilegieerde positie die advocaten hebben, brengt ook verplichtingen mee. Of zoals NRC Handelsblad het laatst in een hoofdredactioneel commentaar uitdrukte: ‘Het procesmonopolie en verschoningsrecht van de advocaat zijn een privilege, geen jachtakte. De advocatuur is een nobel ambt, dat mede de rechtsstaat schraagt en het algemeen belang dient. Noblesse oblige betekent hier dat advocaten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten koesteren’.

    Dat geldt al helemaal voor het volgende probleem. Wat doen we met de advocaat die bewust verdachten van zijn telefoonlijn gebruik laat maken. ‘Mag ik uw mobieltje even gebruiken? Dat is toch zo’n héle speciale? Die wordt toch gegarandeerd niet getapt?’.

    Jammer genoeg is dit geen perverse fantasie van het OM, maar iets wat we wel eens tegenkomen. Zelden, maar vaak genoeg om erbij stil te staan. Dit is voor óns een probleem, maar evengoed voor de advocatuur. Ik ben dan ook benieuwd naar de oplossingen – in termen van gedragsregels en sancties bij overtreding daarvan – waarmee mijns inziens de Nederlandse Orde van Advocaten dient te komen om eventueel oneigenlijk gebruik van geheimhouderstelefoons bij voorbaat aan banden te leggen. Zowel het OM als de advocatuur hebben immers belang bij een systeem van nummerherkenning dat zo vlekkeloos mogelijk functioneert.

    Interessant in dit verband zijn ook de bevindingen van een Tweede Kamer-werkgroep die zich gebogen heeft over de verwevenheid van boven- en onderwereld. Afgelopen donderdag maakte deze werkgroep onder meer bekend dat zij – en ik citeer uit de NRC – ‘verder onderzoek wil naar het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht van advocaten en notarissen. Zelfregulering is bij deze beroepsgroepen onvoldoende van de grond gekomen. Daarom moet de Kamer ook onderzoeken of het mogelijk is om extern toezicht in te stellen.’2

    Bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zullen deze ideeën in elk geval denk ik in vruchtbare bodem vallen. Al eerder maakte de KNB bekend snel een wet te willen die in bepaalde gevallen het OM en de Belastingdienst inzage geeft in dossiers en geldstromen van notariskantoren. Daarnaast wil de KNB een systeem van intercollegiale toetsing, dat dit najaar van start gaat, met name ter bestrijding van hypotheekfraude.3

    En ook in andere sectoren zie je dat beroepsbeoefenaars op eigen initiatief grenzen stellen aan de geheimhoudingsplicht. De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht mogen geen schaamlap zijn, waarachter vakgenoten zich verschuilen, wanneer er mogelijk grotere, maatschappelijke belangen spelen.

    Zo hebben de artsen, verenigd in de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, onlangs een nieuwe Meldcode Kindermishandeling opgesteld. Daarin staat heel duidelijk dat medici moreel verplicht zijn om verdenkingen van kindermishandeling te melden bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.4

    Dames en heren aankomende juristen,

    Ik hoop dat ik u in kort bestek een beeld heb kunnen geven van hoe het OM omgaat met telefoontaps en geheimhoudersgesprekken. Met Top Secret-gesprekken. Perfect is dat zeker niet. Daar zijn we ons zeer van bewust. Maar in samenwerking met de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten denken wij op korte termijn tot een systeem van zogenaamde nummerherkenning te komen, dat het verschoningsrecht van advocaten meer eerbiedigt en beter borgt.

    Ik heb er alle vertrouwen in, dat we uit de laatste discussiepunten komen, die we met vertegenwoordigers van de advocatuur hebben rond de invoering daarvan.

    Als ik nog een keer ‘Yes Minister’ mag aanhalen. In de aflevering ‘De bezuinigingsronde’ wil minister Hacker een gebouw afstoten waarvan de functie hem onduidelijk is. Sir Humphrey werpt tegen, dat wat daar gebeurt ‘Top Secret’ is. ‘ How can a seven storey building in Walfenstone be Top Scret?’, vraagt Hacker perplex. Waarop sir Humphrey droogjes antwoordt: ‘ Where there’s a will, there’s a way’.

    De wil om geheimhoudersgesprekken geheim te houden, was en is er bij het OM, zonder meer. Maar het is nu aan de wil van de advocatuur daaraan mee te werken door straks voor geheimhoudersgesprekken telefoonlijnen aan te melden en deze ook daadwerkelijk te gebruiken. En aan de wil van de Nederlandse Orde van Advocaten gedragsregels te stellen ten einde eventueel misbruik tegen te gaan

    ———– in april 2009 is de man weer in het nieuws na de zoeveelste foutive telefoontap ————-

    Maar, zegt de slager harm Brouwer die zijn eigen vlees keurt, de integriteit van het openbaar ministerie staan niet ter discussie.

    Zou dat ook weeer een woordspelletje zijn, net zoals dat de integriteit van een tunnel of bouweerk niet ter discussie staat? De mensen, daar hebben we het niet over, toch???

    wat is het toch in en in triest dat je de woorden van het OM en haar functionarissen, moet beoordelen op hun juridische impact, en niet op hun werkelijke intentie.

Comments are currently closed.